Wetgeving

WetgevingVoor woningcorporaties en huurders zijn een aantal zaken wettelijk geregeld. Ook onze rol als huurdersorganisatie is daarin vastgelegd.

Woningwet

De Woningwet biedt heldere spelregels voor sociale huisvesting en beperkt de financiële risico’s. Woningcorporaties concentreren zich op hun kerntaak: zorgen dat mensen met een laag inkomen goed en betaalbaar kunnen wonen. Samen met gemeenten en huurdersvertegenwoordigers maken zij prestatieafspraken over de lokale woonopgaven. De Autoriteit Woningcorporaties houdt volkshuisvestelijk en financieel toezicht op de woningsector.

Klik hier voor de inhoud van de Woningwet.

Overlegwet

De rechten en plichten van huurdersorganisaties en bewonerscommissies zijn vastgelegd in de ‘Wet op het Overleg Huurders Verhuurders’ (kortweg Overlegwet of WOHV), die bestaat sinds 1 december 1998.  In de Woningwet staan een aantal rechten die uitsluitend gelden voor huurdersorganisaties in de corporatiesector.
Volgens de Overlegwet hebben huurdersorganisaties (en bewonerscommissies) rechten en bevoegdheden bij tal van onderwerpen
  • recht op informatie
  • recht op het uitbrengen van (schriftelijk) advies
  • instemmingsrecht

Welk recht in welke situatie geldt af van het onderwerp. Alleen bij het servicekostenbeleid heeft een huurdersorganisatie instemmingsrecht. Daarnaast hebben huurdersorganisaties ook recht op (financiële) ondersteuning om hun werk te kunnen doen.

Naast rechten zijn er volgens de Overlegwet ook een aantal plichten.

  • Een huurdersorganisatie moet een rechtspersoon zijn (vereniging of stichting)
  • Het bestuur van een huurdersorganisatie moet worden gekozen of aangewezen door de achterban
  • De organisatie moet representatief zijn. Dit betekent dat ze moet kunnen aantonen namens de huurders te spreken. De organisatie betrekt de huurders bij haar standpuntbepaling, ze schrijft minstens eenmaal per jaar een vergadering uit voor de huurders en ze geeft alle huurders in woningen die ze vertegenwoordigt, de kans om zich bij haar aan te sluiten.

Aan een bewonerscommissie worden minder eisen gesteld. Ze hoeft geen rechtspersoon te zijn en geen gekozen bestuur te hebben, maar moet wel aan de andere drie eisen voldoen.

Klik hier voor de inhoud van de Overlegwet.

Wet op de huurtoeslag

De huurtoeslag, een inkomensafhankelijke toeslag, is een tegemoetkoming in de huurkosten van de Nederlandse overheid voor huurders die in verhouding tot hun inkomen veel huur betalen.

Om huurtoeslag te kunnen krijgen, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan:

  • De huurwoning moet als passend worden beschouwd.
  • Het gaat om zelfstandige woonruimte (dus geen kamerverhuur). Er wordt een uitzondering gemaakt voor mensen die een kamer huren in een begeleid wonen project.
  • De aanvrager is 18 jaar of ouder. Jongeren onder de 18 kunnen wel huurtoeslag krijgen als ze wees zijn en alleen wonen, getrouwd zijn of alleenstaande ouder zijn.
  • De aanvrager heeft de Nederlandse nationaliteit of een verblijfsvergunning die recht geeft op toeslagen.
  • De rekenhuur mag (voor 2017) niet lager zijn dan € 223,42 en niet hoger dan € 710,68 per maand (dit laatste bedrag, de huurtoeslaghuurprijsgrens, is gelijk aan de liberalisatiegrens in de huurprijsregelgeving). Het deel van de rekenhuur boven de kwaliteitskortingsgrens (2017: € 414,02 per maand) tot aan de aftoppingsgrens (2017: € 592,55 per maand) wordt voor 65% gesubsidieerd; het deel van de rekenhuur boven de aftoppingsgrens wordt voor 40% gesubsidieerd. De percentages staan in het Besluit op de huurtoeslag, de rest staat in de Wet op de huurtoeslag.
  • Het toetsingsinkomen is maximaal € 22.200 (2017). Genoemde inkomens gelden voor alleenstaanden. Voor partners gaat het om het gezamenlijke inkomen. Voor mensen met kind(eren) gelden (aanzienlijk) hogere inkomensnormen. Voorbeeld: voor een alleenstaande met een bruto jaarinkomen van € 25.000 en een huur van € 500 geldt dat hij/zij geen huurtoeslag krijgt. Voor een alleenstaande met 1 kind geldt reeds dat hij/zij een huurtoeslag ontvangt van ruim € 150 per maand.
  • Vermogenstoets: Voor 2017 mag het vermogen op 1 januari van dat jaar niet groter zijn dan € 25.000. Groene beleggingen zijn niet vrijgesteld, voor de rest geldt grotendeels de berekeningswijze voor box 3.

Voor gehandicapten die een aangepaste woning huren en voor grote gezinnen (meer dan 8 kinderen) gelden iets afwijkende regels, zo mogen zij bijvoorbeeld een hogere huur hebben.

Bedragen lager dan €24 per jaar worden niet uitbetaald. De huurtoeslag als functie van inkomen is een gedeelte van een kwadratische functie (de dalende tak van een bergparabool), die echter nul wordt vanaf een inkomen ruim lager dan dat waarvoor de kwadratische functie nul wordt. Hierdoor maakt deze toeslag (en dus ook inkomen plus toeslag) als functie van inkomen bij dit maximuminkomen een sprong naar beneden die veel groter is dan de genoemde € 24 per jaar. Bij de maximale huur kan deze zelfs meer dan € 2000 per jaar bedragen. In dat geval is een iets hoger inkomen, net boven het maximum, dus veel onvoordeliger. Met deze onvolkomenheid kan rekening gehouden worden door te trachten ervoor te zorgen dat het inkomen beneden de grens blijft, bijvoorbeeld door een aftrekbare gift.

De regeling is gunstiger voor wie de AOW-leeftijd heeft bereikt (ouderenhuishouden).

De huurtoeslag is op 1 januari 2006 samen met de zorgtoeslag ingevoerd en vervangt de daarvóór bestaande huursubsidie. In 2010 hadden 1,1 miljoen huishoudens recht op huurtoeslag van gemiddeld 170 euro per maand. Dat kostte de overheid 2,3 miljard euro in 2010 (cijfers van VROM). Ter vergelijking: de hypotheekrenteaftrek in 2009 was 11 miljard euro. Maar dit is een inkomstenvermindering voor de overheid, terwijl Huurtoeslag een extra kostenpost is.

Huurtoeslag wordt aangevraagd bij en uitbetaald door Belastingdienst/Toeslagen. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) is verantwoordelijk voor de Wet op de huurtoeslag, de begroting van de Huurtoeslag en het beleid.

Klik hier voor de inhoud van de Wet op de huurtoeslag.